Twee tuinstijlen buren goed

Twee buurtuinen, ieder in eigen stijl ingericht. De ene tuin is gezellig met veel accessoires en bijzondere planten, zoals een 250 soorten tellende hostaverzameling. De andere tuin is weelderig en natuurlijk ogend. De tuinen waren geopend tijdens Verborgen Tuinen in Rotterdam, een jaarlijks terugkerend weekend in juni, waarin privétuinen geopend zijn voor het publiek. Beide tuiniers vertellen over hun eigen tuin.

Hosta’s

De hostaverzameling startte met één mooie grote plant van een bevriende imker. “Vroeger waren er nog maar twee of drie hosta’s verkrijgbaar. ” Voor de rest vulde ze de grond met andere vaste planten, zoals daglelies en vrouwenmantel. Het kopen bij kwekers raakte in zwang en Loeki deed daaraan mee. Ze vroeg catalogi aan en ging kwekerijen en markten af. In 1987 kocht ze haar eerste ‘bijzondere’ hosta’s, Hosta ‘Tokudama’, ‘Halcyon’ en ‘Krossa Regal’, bij Hans Kramer uit Ede. In 1989, toen haar huidige buren naast haar kwamen wonen, had ze ongeveer zeven verschillende hosta’s.
Daarna ging het sneller. In 1990 ontmoette ze hostakweker en -liefhebber Marco Fransen op een plantenmarkt. Via Marco werd Loeki lid van de Nederlandse Hosta Vereniging. Sinds die tijd gaat ze ieder jaar een keer naar de kwekerij van Marco om hosta’s te kopen. Zo komt ze aan aparte, nieuw introducties, die hij onder andere meebrengt vanuit de Verenigde Staten.
“Ik hou zo van hosta’s, omdat ze zo sterk zijn, zo decoratief, zo verschillend van kleur, bladvorm en maat. Bovendien bloeien ze ook nog eens mooi. Er zijn zelfs geurende hosta’s,” zegt Loeki enthousiast.
Toen het rond 2000 lichamelijk slechter met haar ging en ze de boodschap kreeg op termijn niet meer in de tuin te kunnen en mogen werken, heeft ze besloten om in één klap een flinke partij hosta’s aan te schaffen. Ze heeft nu 250 rassen. Daarbij zijn hele kleintjes met bladeren van maar een paar centimeter doorsnede tot aan hosta’s met bladeren van 40 à 45 centimeter doorsnede. De kleine hosta’s houdt ze in aparte potten, omdat ze in een gewone tuin zo verdwenen zijn. Een leuke, kleine hosta is bijvoorbeeld ‘Pandora’s Box’. “Zulke kleine hosta’s vragen extra verzorging. Dat wil zeggen, een bepaalde hoeveelheid tijd in de zon en in de schaduw. Niet te droog, niet te nat. Daarom kun je ze alleen goed houden in troggen of bakjes.”

Slakken

Loeki Goosen had tot 2004 weinig last van slakken. Hoe dikker het blad, des te beter slakbestendig is haar ervaring. Dit jaar is het eerste jaar dat ze er wel last van heeft. Om te voorkomen dat de slakken bij de planten komen, strooit ze scherpe dingen op de aarde in de potten en rondom de planten, zoals cacaodoppen, schors of hard, puntig grind. Vaak associëren mensen hosta’s met schaduw. Toen Loeki startte met haar hosta’s had ze een schaduwrijke tuin door de bomen in en rond haar tuin. Toen er een aantal bomen in en rond de tuin doodgingen, werd de tuin zonnig. “De hosta’s blijven het gewoon goed doen. Alleen de bonte hosta’s zijn wat gevoeliger. De witte en gele bladdelen verbranden in de hete zon. Ook hier zijn dikke hostabladeren in het voordeel. Hoe dikker de bladeren, des te beter de hosta’s tegen de zon kunnen.”

Behalve de enorme hostaverzameling heeft ze ook veel varens en 25 rassen daglelies (Hemerocallis). Niet de gewone kleuren oranje en geel, maar bijzondere kleuren als zalm, roze en aubergine. En andere, vooral zeldzame planten, rots- en vetplantjes. “Ik val op die apartelingetjes. Ik let veel op bladvorm en combineer planten graag met Japanse siergrassen en varens.” Door de jaren heen is Loeki een echte plantenkenner geworden. “Ik ken inmiddels duizenden Latijnse plantennamen.” De standaardplanten, zoals de vrouwenmantel, die in het begin een mooie vuller waren voor de nog kale tuin, zijn er weer zo goed als allemaal uit.

’s Zomers met vakantie lukt niet. Dat komt ook, omdat er heel veel potten en kuipen in de tuin staan, die regelmatig water nodig hebben. Toch wil ze die potten niet kwijt. “Ik wil gewoon nog meer planten in mijn tuin proppen. En je kunt leuke arrangementen maken met potten, omdat je ze steeds een beetje anders neer kunt zetten.” Bijna alle potten overwinteren buiten, behalve de agapanthus, de oleander en de succulente Pelargonium. De vijg en de kamerplant Fatsia, die tegen het huis staan, blijven gewoon buiten.

Loeki Goosen vindt de tuin van haar buren prachtig. “Dick is hovenier, dus wat hij maakt, is verantwoord. De hele tuin is mooi. Er zit meer lijn in dan in mijn tuin. Uniek is de dakbeplanting op het schuurtje.”

Natuurlijk

De langgerekte tuin van Dick en Kitty Hoekstra oogt heel natuurlijk en is begroeid met een mengeling van cultuur- en heemplanten. “Ik ben een echte plantjesgek,” zegt Dick, die zich het meeste met de tuin bezighoudt. In het dagelijks leven is hij leraar biologie. Daarnaast heeft hij samen met een vriend een bedrijfje, Schoonoord Natuurlijke Tuinen, waardoor hij zich ook bezighoudt met het ontwerpen van tuinen. “De meeste mensen willen liever geen tuin als deze, maar strak en simpel.” Een tuin waar weinig werk aan is, is zijn ervaring.
Zelf vindt hij het heerlijk om zich uit te leven in een wat wilder ogende tuin, waar alles op natuurlijke wijze lijkt te groeien. “De tuin is uitbundig, maar niet verwilderd. Het is geen tuin voor als je oud bent, daarvoor is er gewoon te veel werk aan.” Dick Hoekstra heeft, als hovenier en leraar, een duidelijke mening over tuinieren. “Mensen die dynamisch met hun tuin bezig zijn door te knippen, schoffelen en wieden, creëren een resultaat dat statisch is. Ben je zelf statisch, dan stimuleer je de dynamiek van de natuur. Er kunnen prachtige plantcombinaties ontstaan.”
Een voorbeeld van een duidelijk gecultiveerde tuin noemt hij de Japanse tuin, waar het natuurlijke aspect overdreven wordt en vervolgens gefixeerd. Zijn eigen tuin is een voorbeeld van wat er gebeurt als een tuin zich mag ontwikkelen. Daarbij komt het erop aan, dat planten goed met elkaar combineren en sterk genoeg zijn om de concurrentie met de er omheen staande planten aan te gaan. Zo ontstaat er op een gegeven moment een eindstadium.

Hij kan intens genieten van de wisseling van de seizoenen in de tuin. In het voorjaar bloeit er een overdaad aan vergeetmenietjes en akeleien en in het vochtige gedeelte ook de goudveil (Chrysosplenium oppositifolium), een plantje dat van oorsprong voorkomt op vochtige en beschaduwde grond in bronbossen en aan oevers van beekjes en dat vrij zeldzaam is in Nederland. In de zomer trekken talloze andere, elkaar in bloei opvolgende planten de aandacht. In het najaar en de winter laten de Italiaanse aronskelken (Arum italicum) hun feloranje bessen zien. De daglelies (Hemerocallus), die al in de tuin stonden, toen zij er kwamen wonen, beginnen al in februari weer met uitlopen. De tongvarens (Asplenium scolopendrium) en struisvarens (Matteuccia struthiopteris) blijken hier heel mooi mee te combineren. “Je kunt bij de inrichting van een natuurlijke tuin bijna niet om deze varens heen. Hetzelfde geldt voor hosta’s.”
In het vochtige gedeelte staan veel inheemse planten, zoals moeraszegge (Carex acutiformis), moeraswederik (Lysimachia thyrsiflora), moeraswespenorchis (Epipactis palustris), moeraswolfsmelk (Euphorbia palustris) en moerasspirea (Filipendula ulmaria).

Groenblijvers

Dick houdt niet van coniferen, maar zorgt wel voor voldoende andere groenblijvers, zodat de tuin ’s winters niet kaal is. “Ik zoek het vooral in combinaties van bladvormen. Zo probeer ik de diversiteit die je in de natuur vindt te versterken. Er staan hier veel groenblijvende varens, zegges en andere groenblijvende bodembedekkers, zoals het holpijpje (Equisetum), Waldsteinia ternata en de bonte klimop.” Viburnum tinus en bamboe zorgen voor een extra stukje structuur in de tuin. Als bamboe heeft hij gekozen voor Phyllostachys, die 4 tot 7 meter hoog kan worden. “Deze bamboe is ontzettend sterk. Hij kan min dertig graden verdragen. Nadeel is dat hij ontzettend woekert. Ik heb er de helft vanaf gehaald het afgelopen jaar en er een betonnen bak omheen gezet, anders wordt het té gek voor Loeki.”
Aandachtstrekker in de tuin is het met Sedum, Saxifraga en Sempervivum begroeide schuurdak. Wanneer Dick en Kitty boven in hun dijkhuisje zitten, kijken ze uit over een groen dak. “Als ondergrond heb ik gekozen voor vijverfolie met daarop zand en tuinaarde. Het kan ook gedaan worden met drainagematten. Het dak ligt onder een licht afschot, zodat het water niet op het dak blijft staan.”

Poeltje

Midden in de tuin heeft hij vijftien jaar geleden een klein poeltje gemaakt. Door de weelderige begroeiing eromheen is er in de zomer nog maar een klein stukje van te zien. In het gedeelte ervoor heeft hij een vochtige overgangszone gemaakt. Het geheel is circa 5 bij 6 meter. In het natte gedeelte staan dotters, gele lissen, digitalis, kattestaart, moeraswederik en koekoeksbloemen. “Het nadeel van deze vijver is, dat hij heel erg verrijkt is met voedingsstoffen, die uitspoelen vanuit de omgeving, waardoor er veel algengroei is. Ik zou het andere mensen niet aanraden. Beter is het om ervoor te zorgen, dat de grond vanuit de oever niet in de vijver terecht kan komen.”
Grenzend aan de vijver heeft Dick nog een stuk folie ingegraven. Op de ene helft heeft hij kalkrijk schelpenzand gestort en op de andere helft veen. In het midden is een overloopgebied. “Je bootst daarmee gebiedjes na, zoals een Limburgs vochtig kalkgrasland of een vochtig veengebiedje. Ik heb op deze manier zowel een gevlekte rietorchis als een moeraswespenorchis in de tuin gekregen. De rietorchis doet het bij mij alleen in het gedeelte met kalkrijk zand. De moeraswespenorchis doet het prima in veen én kalkrijk zand.”